Wednesday, July 29, 2009
Monday, February 07, 2005
RUZIE OM MOEDERS ERFDEEL - TROUBLE MATRIMONEY
Alledaagse geschiedenis
De inhoud van het Oud Rechtelijk Archief van Blaricum bestaat uit zeer
uiteenlopende onderwerpen. Koop en verkoop van woningen en grond worden
afgewisseld door zaken van meer persoonlijke aard. Onder andere de
aanstelling van voogden over minderjarige wezen. Heel soms staat ook een
onderlinge ruzie beschreven, zoals over een ook nu nog actuele kwestie. Zo
staat in 1710 een onenigheid te boek over een erfenis. De woordenwisseling
vond plaats tijdens een begrafenis, tussen Jacob Hendriksz de Saijer en
enkele van zijn aangetrouwde familieleden. De ruzie werd voor het
Schepengerecht uitgevochten. Juni 1710 werden door verschillende
getuigen verklaringen afgelegd over het gebeurde. Enkele maanden
later, in september, werden deze mensen onder ede verhoord.
Aan de hand van deze en andere archiefstukken is een recontructie
te maken over de voorgeschiedenis en de aanleiding van de ruzie.
Het gezin van Theunis en Geertje
Omstreeks 1668 trouwden in Blaricum Theunis Gerritsz met Geertje Hendriks
de Saijer. November 1669 lieten zij hun zoon Hendrik dopen. Hij werd door
de pastoor ingeschreven in het doopboek. Naar gewoonte van die tijd werden
de namen van de ouders gelatiniseerd tot Antonius Gerardi en Gertrudis
Henrici. Ook werd een dochter Geertje geboren. Meer kinderen had het
echtpaar niet of mogelijk stierven ze jong.
April 1706 overleed Geertje de Saijer. Haar echtgenoot was armlastig,
zoals bleek uit het register van de 'Impost op begraven'.
(begrafenisbelasting) Bij de impostaanslag stond 'Pro Deo' vermeld, zelfs
de laagste aanslag van f 3.- kon Theunis niet betalen. Zijn vrouw Geertje
had echter een vrijgezelle broer. Deze Jacob Hendriksz de Saijer was
redelijk welgesteld. Hij bezat minstens twee huizen en waarschijnlijk een
goedgevulde 'ouwe kous'. Mocht Jacob overlijden, dan erfde zijn familie.
Nu zijn zus Geertje er niet meer was, ging haar 'toekomstig' erfdeel over
op haar kinderen. Jacob had echter nog meer familieleden die op de erfenis
aasden. Het was dus begrijpelijk dat Geertjes kinderen hun rechten zeker
wilden stellen. Hun vader Theunis hertrouwde en maakte zich niet druk om
de rechten van zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk. Zijn dochter
Geertje wilde echter duidelijkheid en ging in 1707 haar nood klagen bij
Evert Gerritsz, de broer van haar vader. Ze zei tegen hem: "Evertoom,
vaartie en wij sijn tevreden dat ghij met en nevens onse oom Jacob de
Saijer te samen sullen seggen wat wij voor onse moedersgoed sullen
hebben". Evert vernam verder dat zijn broer Theunis bij zijn hertrouwen
niets had vastgelegd over het erfdeel van Geertjes moeder. Hij beloofde
zijn nichtje om de kwestie te regelen. Na onderling overleg bezocht hij
zijn broer Theunis. In diens woning waren ook zoon Hendrik, dochter
Geertje en Jacob de Saijer. Evert onderhandelde met Jacob en na lang heen
en weer gepraat kwamen ze tot overeenstemming. Als toekomstig erfdeel
werd door Jacob toegezegd een bedrag van f 500.- en een behoorlijke
uitzet. Het bleef bij een mondelinge afspraak. Hoewel Evert kon
schrijven, werd niets schriftelijk vastgelegd.
Overigens stonden vader Theunis en zijn zoon Hendrik op goede voet met
elkaar. In 1708 ploegden en bezaaiden zij gezamenlijk een akker van Brant
Pieters Craaijecamp. Daarbij ontdekten ze, dat een van de belendende buren
zich stiekem een strook van deze akker had toegeƫigend. Vader en zoon
legden toen hiervan een getuigenis af voor een notaris in Naarden. Theunis
gaf als leeftijd op 66 jaar en Hendrik 37 jaar.
Woordenwisseling tijdens begrafenis
Februari 1710 overleed plotseling zoon Hendrik. Bij zijn begrafenis waren
familie en bekenden aanwezig, waaronder zijn vader en zijn ooms Jacob de
Saijer en Evert Gerritsz. De sfeer, tussen de broers Theunis en Evert
enerzijds en zwager Jacob anderzijds was gespannen. De oorzaak was hoe het
verder moest met 'moeders erfdeel'. Zoon Hendrik overleed namelijk als
vrijgezel. Zijn erfdeel ging nu naar zijn vader Theunis. De overige
erfgenamen van Jacob zagen met lede ogen een deel van de erfenis naar
diens aangetrouwde familie gaan. Jacob werd de spanning te veel. Tijdens
de begrafenis kreeg hij volgens de omstanders een 'overval'. Het was niet
duidelijk of het een flauwte of een beroerte betrof. Grote schrik bij de
broers Theunis en Evert. Stel dat Jacob het loodje legde voordat de
erfenis geregeld was. Zo gauw Jacob bij zijn positieven kwam begon Evert
over de vroeger gemaakte afspraak door te zeggen: "Jacob wij hebben nog
liever met U als met uw erffgenamen te doen, nademaal sij niet en weten
van het contract 't geen wij hebben gemaackt tusschen Theunis Gerritsz en
zijn meerderjarige voorkinderen". Jacob antwoordde daar niets van af te
weten. Waarop Evert weer zei: "Wel Jacob weet ghij niet dat wij te samen
door Theunis Gerritsz en sijn voorkinderen sijn versogt om te seggen
hoeveel hij, Theunis Gerritsz, aan sijn meergemelte voorkinderen, verwekt
bij Geertje Hendriks, voor haar moederlijke goederen soude uijtkeren ? En
dat wij te samen sijn int agterhuijs gegaan en daar te looff en te bode
geweest ? En dat wij eijndelijk sijn veraccordeert, dat de voorkinderen
van Theunis Geritsz voor haar moederlijke goederen souden hebben, eens een
somma van 500 gl boven een behoorlijke uijtset ? En dat die somma eerst
soude worden uijtgekeert na doode van Theunis Gerritsz ?" Jacob bleef
ontkennen en Evert bleef vasthoudend vervolgen: "Wel Jacob, het geld en
goed blijft hier en wij gaan naar de Eeuwigheijd. Siet hier een tweede
opmerking van een haastige dood !"
Die laatste opmerking sloeg kennelijk op zijn flauwvallen. Eindelijk gaf
Jacob toe wel op de hoogte te zijn van de eerder gemaakte afspraken. Hij
was echter erg overstuur geraakt. Men durfde hem niet alleen naar zijn
huis in het dorp te laten gaan. Jacob bleef overnachten in het huis van
Theunis Gerritsz. 's Morgens bij het opstaan begon Theunis weer tegen
hem: "Ghij wilde gisteren van het accoort 't geen ghij voor mij met mijn
voorkinderen hebt gemaakt nopende haar moederlijke goederen niets
weten, weet ghij dan nog van ons accoort niet, 't geen wij voor desen
hebben gemaakt ?" Jacob gaf het toe, maar voegde er bij: "Maar dan motte
ghij aan Hendrik Theunisz ook soo veel huwelijks goed gegeven hebben als
ghij Geertie Barten gegeven hebt!" Hij doelde mogelijk op een stiefdochter
uit het tweede huwelijk.
Verhoor door de ' Ed. Agtbaare Geregte'
Mogelijk herriep Jacob de Saijer later zijn uitspraak, want Theunisz
Gerritsz verzocht aan getuigen een verklaring over het gebeuren af te
leggen. Juni 1710 legde secretaris Thierens deze verklaringen vast van
Evert Gerritsz en vier andere personen. Op 15 september nam het gerecht
een verhoor af van de getuigen, die aanwezig waren tijdens de ter aarde
bestelling van Hendrik Theunisz. Na Evert Gerritsz werden ondervraagd:
Gijsbertje Rijken, de 70 jarige Dirk Harmensz, de gerechtsbode Cors
Claasz en Jan Willemsz. Het verhoor werd te boek gesteld. Op de
rechterhelft van de akten stonden de vragen (artikelen genoemd)
beschreven. Op de linkerhelft de antwoorden van de getuigen. In het kort
kwamen de vragen op het volgende neer:
Wat hadden de getuigen gehoord en gezien tijdens de begrafenis ? Had
Jacob de Saijer het bewustzijn verloren en was hij daarna bij zijn volle
verstand tijdens de ondervraging door Evert ? Antwoordde hij normaal of
sloeg hij wartaal uit ? Ontkende hij eerst en gaf hij later toe van een
gemaakte afspraak te weten ?
Op de meeste vragen antwoordden de getuigen met ja. Bij enkele vragen
wist de een iets meer dan de ander te vertellen. Maar volgens hun
uitspraken wist Jacob wel degelijk van het contract af en was hij bij zijn
volle verstand.
Ieder verslag van het verhoor werd ondertekend door schout Aaron Duyrkant
en de schepenen Peter Brantsz en Meyndert Tijmens.
'Naar de Eeuwigheijd '
Evert Gerritsz had tegen Jacob gezegd: "Wel Jacob het geld en goed blijft
hier en wij gaan naar de eeuwigheijd". De begrafenisgangers hebben het
niet lang meer overleefd. Ze stierven kort na elkaar. De verstokte
vrijgezel Jacob het eerst in februari 1715. Zijn testamentaire
erfgenamen werden in juli genoemd in een verkoopakte. Daaruit bleek, dat
Jacob zijn bekomst had gekregen van zijn familieleden. Hij had namelijk
zijn twee huizen vermaakt aan de Potarmen van Blaricum. Deze brachten
f 377.- op.
Theunis Gerritsz overleed in april 1716, of hij kinderen na liet is
onbekend. Evert Gerritsz volgde hem in oktober van hetzelfde jaar. Zijn
nageslacht nam later de familienaam Roozendaal aan. Hoe het afliep met
moeders erfdeel werd nergens vermeld.
______________________________
AFBEELDINGEN:
Blz. 10: Tekening van bijeengekomen familie die beraadslaagd over de
erfenis. Jacob de Sayer verlaat de kamer. Het onderschrift luidt:
"dat wij te samen int agterhuijs gegaan en daar te looff en de te bode
geweest".
Blz. 11: De handtekeningen van de schout Aaron Duurkant en Pieter Brantsz,
plus het huismerk M van Meyndert Tijmensz.
___________________
BRONNEN:
- SAGV te H'sum. Doop-, Trouw- en Begraafboeken van Blaricum.
- SAGV te H'sum. ORA Blaricum, inv. nr. 3267. 07.06.1708
- SAGV te H'sum. ORA Blaricum, inv. nr. 3267 fo. 35, 36, 37. 10.06.1710
- SAGV te H'sum. ORA Blaricum, inv. nr. 3267 fo. 38, 39, 40. 15.09.1710
- SAGV te H'sum. ORA Blaricum, inv. nr. 3253 fo. 114 01.07.1715
____________________
Ruzie om moeders erfdeel in de 18e eeuw
HISTORISCHE KRING BLARICUM. APRIL 1998, NR 27
___________________________________________
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.netfirms.com
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl
_________________________________________________
Labels: Gooise geschiedenis

